Wonderreizen Naar het Middelpunt der Aarde
Inhoud – Wonderreizen Naar het Middelpunt der Aarde
Voorblad — Naar het Middelpunt der Aarde
I. Prof Otto Lidenbrock.—Eigenaardigheden van oom.—De studeerkamer.
II. Een fraai boek.—Een merkwaardige inhoud.—Het oude document.—Wat het oude papier kostte.
III. Een runisch handschrift;—Uitleg van het alphabet.—Het geheimschrift.—Een geleerd man.—Nichtje Gräuben.—Ontcijfering van het document.—Einde der ontcijfering.
IV. Vrees voor het raadselachtige werk.—Waar is oom?—Moeielijkheden der ontcijfering.—De sleutel gevonden.
V. De professor aan het werk.—De neef valt in slaap.—De huissleutel verdwenen.—De vreugde van mijn oom.—De lezing van het document.—De valiezen moeten gepakt worden.
VI. In het studeervertrek.—De Sneffels.—De warmte in den aardbol.—De vulkanen.—Inwendige hitte der aarde.
VII. Naar het middelpunt der aarde.—Een onmogelijke reis.—Toebereidselen tot het vertrek.—Reikiavik.—De koffer moet gepakt worden.—Naar den kelder?.
VIII. Altona.—Kiel.—Korsör.—Professor Thomson.—Kopenhagen.—De Vor-Frelserskerk.—Duizeligheid.
IX. Het Kattegat.—Skagen.—Naar het middelpunt der aarde.—Het handschrift van Saknussemm.—Reikiavik.—De IJslanders.
X. Leeslust der IJslanders.—Letterkunde der IJslanders.—De Sneffels.—Over zee of over land?
XI. Eiderganzen.—Hans Bjelke.—Toestel van Rhumkorff.—Reisvoorraad.—Uitrusting voor den tocht.
XII. Aanvang van den tocht.—Door IJsland.—Het vlek Gufunus.—Overtocht van den Fjörd.
XIII. Het huis van een boer.—De IJslandsche vrouw.—Gastvrij onthaal.—IJslandsche hartelijkheid.—Melaatschen.
XIV. De familie van Hans.—Stapi.—Verbasterde geestelijke.—Vrees voor uitbarsting.—Te mooi om mogelijk te zijn.—Gevaar voor uitbarsting.
XV. Prachtig uitzicht van den Sneffels.—In verrukking.—Naar den krater.—De vervloekte naam.—Geen zon, geen schaduw.—Lidenbrock wanhopig.—De Scartaris geeft schaduw.
XVI. Prachtig uitzicht van den Sneffels.—In verrukking.—Naar den krater.—De vervloekte naam.—Geen zon, geen schaduw.—Lidenbrock wanhopig.—De Scartaris geeft schaduw.
XVII. Naar den afgrond.—De theorie van Davy bevestigd.—Geen inwendige warmte.—Op den bodem van den krater.
XVIII. Kalmte.—Begin der onderaardsche reis.—Schakeeringen der lava.
XIX. De kruisweg.—Vermoeienis van Axel.—Klimmen of dalen?—Naar boven, naar Gräuben.—Dreigend watergebrek.
XX. Grondgesteldheid.—Teleurgestelde hoop.—Steenkolen.—Oorsprong der steenkolen.—Vergeefsche tocht.
XXI. Gemoedsgesteldheid.—Opoffering van den professor.—Spanning.—Columbus nagevolgd.
XXII. Zeldzaam geologisch genot.—Verdwijning van Hans.
XXIII. Water in uitzicht.—Weder voorwaarts.—Zoekende.—Dorst gelescht.—De beek een wegwijzer.—Rustige slaap.
XXIV. Te horizontaal.—Bijna loodrechte lijn.—Onder den Oceaan.
XXV. Kalm vertrek.—Plaatsbepaling.—Heeft Hamphry Davy gelijk?—Dichtheid der lucht.—Lucht in vasten toestand.
XXVI. Toenemende stilzwijgendheid.—Verdwaald.
XXVII. Levend begraven.—Splitsing der galerij.—Bede tot God.—In de zwarte duisternis.
XXVIII. Een geraas!—Het geluid van woorden.—Förlorad.—Gemeenschap.—Gesprek op anderhalf uur gaans.—Bemoediging.—Bewusteloos neergeploft.
XXIX. Ontwaken van Axel.—Was hij krankzinnig?—De grot verlaten.
XXX. De zee.—Onderaardsch licht.—Onmetelijk hol.—Versterkende zeewind.—Woud van paddestoelen.—Fossiele beenderen.—Vrees voor voorwereldlijke monsters.—Gerustheid van den professor.
XXXI. Door een zeebad versterkt.—Vloed, ebbe en magnetische helling.—scheepstimmerhout.—Het vlot.
XXXII. Zeilklaar.—Vertrek van Gräubenhaven.—Het scheepsjournaal.—Voorwereldlijke visch.—Blindheid van dien visch.—Axel's droom.—Axel ontwaakt.
XXXIII. Des professors ongeduld geboekstaafd.—De lange zeereis.—In het ijzer gebeten.—Zeemonsters.—Ontsteltenis.—Strijd.—De plesiosaurus bezwijkt.
XXXIV. Nieuw gevaar.—Iets gezien.—Een eiland.—De geyser.
XXXV. Naderend onweder.—De rotsen van den oever.—Een orkaan.—Werking der electriciteit.—Hevigheid van den orkaan.—De electrische kogel.—Altijd op zee.
XXXVI. Vreugde van den professor.—Toebereidselen voor de terugreis.—Werktuigen gered.—De professor denkt aan zijne collega's.—Op welke hoogte?
XXXVII. Verloren reis.—Landverkenning.—Verbastering der schildpad.—De beenderenvlakte.
XXXVIII. Voorwereldlijke overblijfselen.—Een menschelijk lichaam.—De reus van Palermo.—Onderzoek van een lijk.—Een onmetelijk knekelhuis.
XXXIX. Voorwereldlijke planten en dieren.—Mosplanten.—Mastodonten.—De aapmensen.—Niet op het uitgangspunt terug.—Een dolk.—Eene echte dagge.
XL. Arne Saknussemm.—Altijd dalen.—De schepen verbranden.—Een weg voor de lava.—De mijn moet springen.
XLI. De mijn gesprongen.—De ontploffing—Snelle vaart van het vlot.—De woede van den stortvloed—Onverwachte overstrooming.
XLII. De nauwe put.—Geen voedsel meer.—Levend verbranden.—De laatste maaltijd.—Een gloeiende dampkring.
XLIII. Miswijzend kompas.—Ontploffingen.—Een uitbarsting.—Zwavelvlammen.—Het vlot blijft liggen.—Op nieuw opgestuwd.
XLIV. Op aarde terug.—In Azië?—De tegenvoeters.—In de Middellandsche zee.—Stromboli.—Een glimlach van Hans.
XLV. In Hamburg terug.—Hans vertrekt naar IJsland.—De polen van het kompas verwisseld.
[closing words & license]
[Bladzijden 233-236]